Deel 28: Astrale reizen

Deel 28: Astrale reizen

Ik ben zo opgegaan in het boek dat ik geen moment meer heb stilgestaan bij de tijd en omstandigheden. Mijn rammelende buik roept mij echter ineens weer terug naar het huidige moment en als ik op de klok kijk, blijkt het achttien over één te zijn. Bijna twee uur lang heb ik hier in het hoekje van de bank zitten lezen in dit bijzondere boek. Als ik opsta voel ik dat mijn benen helemaal stijf en stram zijn geworden van het in een houding zitten. Ik loop naar de keuken en zie dat de plastic tas gevuld met boodschappen nog steeds onaangeroerd tegen het keukenkastje aan staat. Ik besluit een salade te maken en een flinke thermoskan thee te zetten. Ik kan me herinneren dat deze kan ergens achterin een keukenkastje stond, maar vandaag heb ik hem nodig als ik naar Overijssel rijd.

Tijdens het maken van de salade heb ik de tijd om te overdenken wat ik zojuist allemaal heb gelezen. Het boek was inderdaad al wat ouder en beschrijft het waargebeurde verhaal van de auteur die vanaf het einde van de vijftiger jaren opeens geconfronteerd werd met zeer opmerkelijke gebeurtenissen.

Robert Monroe schrijft in zijn boek dat hij halverwege de veertig was toen hij ongewone fenomenen begon mee te maken tijdens het inslapen. Het maakte daarbij niet uit of hij een dutje deed op de bank of ’s avonds wilde gaan slapen. Tijdens het indommelen maakte hij regelmatig mee dat zijn lichaam heftig begon te schudden en er een oorverdovend lawaai ontstond om hem heen. Op deze moment bleek het onmogelijk voor hem om te bewegen, maar het meest opmerkelijke was dat hij tijdens deze gebeurtenissen zich plotseling tegen het plafond bevond en zijn eigen lichaam in bed of op de bank kon zien liggen. Terwijl zijn fysieke lichaam ogenschijnlijk rustig lag te slapen, was zijn bewustzijn klaarwakker en kon hij de meest geweldige reizen maken buiten zijn normale lichaam om. Hij noemde dit ‘buitenlichamelijke ervaringen’ .

Ik pak ondertussen een rode paprika om deze in kleine stukjes te snijden voor over de salade, terwijl ik herinneringen ophaal aan de vele nachtmerries die ik als kind had. Vanaf dat ik een jaar of drie was droomde ik regelmatig dat ik wakker werd van een heftig onweer wat zo intens was dat de keiharde storm het raam inkinkelde en de gordijnen liet opwaaien. De herrie van de storm was oorverdovend en het opzienbarende aan de situatie was altijd dat mijn bed en ikzelf zeer heftig schudde, maar dat ikzelf niet in staat was ook maar een vinger te bewegen. Het was voor mij als kind ongelooflijk angstwekkend, maar ik vraag me hier op dit moment af of dit misschien de voorbode was van wat een buitenlichamelijke ervaring zou worden. Monroe beschrijft het fenomeen slaapverlamming dat ontstaat als je lichaam in slaap is, maar je geest in een staat van alertheid verblijft. En in deze staat is het dus blijkbaar mogelijk om uit je lichaam te treden. Robert Monroe dacht zelf dat hij dood was toen hij zijn echte lichaam op het bed zag liggen. Want waarom zou je immers anders je lichaam verlaten? Wat hij in zijn boek prachtig en beeldend beschrijft is dat wij denken dat we ons fysieke lichaam zijn. Wij zijn ervan overtuigd dat die zak van vlees met botten en bloed hetgeen is wat we zijn. In werkelijkheid zijn er nog vele andere dimensies die wij niet kunnen waarnemen vanuit het stoffelijke lichaam, maar die er wel zijn. Hij noemt de dimensie waar we heen gaan als we buiten ons lichaam zijn de astrale wereld. En het lichaam waar we mee naar die astrale wereld reizen heeft hij het astrale lichaam genoemd. Monroe beschrijft in het gele boek veel van wat hij heeft meegemaakt tijdens deze astrale reizen.

Als door de bliksem getroffen blijf ik staan met het kleine keukenmesje in mijn hand als er plotseling de realisatie tot mij komt dat ik gisteravond ook ben gaan slapen en op een andere plek ben wakker geworden. Ik begin van opwinding sneller te ademen. “Zou het kunnen dat ik gisteravond uit mijn lichaam ben getreden en met dat astrale lichaam naar deze plek ben gereisd? Deze plek lijkt dan wel hartstikke echt, maar in wezen is het slechts een astrale manifestatie van wat ooit vroeger was. Daarom was er misschien ook die glitch in de werkelijkheid van daarstraks.” Ik staar een moment naar de berg rode paprika stukjes en laat dat dat idee weer varen. Ik weet gewoon zeker dat dit de realiteit is. Het is eenvoudigweg onmogelijk dat iets wat zo echt aanvoelt, niet echt zou zijn. Ik pak een pot mosterd die ik heb klaargezet, zodat ik met een likje mosterd de dressing op smaak kan brengen en lees het etiket. Probleemloos verschijnen alle letters in beeld in de juiste volgorde en vormen perfect logische zinnen. “Nee, dit is geen lucide droom, geen waan en geen astrale reis.” Ik schud mijn hoofd. “Deze realiteit is echt. Ik weet het zeker.”

Ik vervolg mijn werk en snijd de sla om vervolgens een eenvoudige dressing van olijfolie, balsamico azijn, mosterd zout en peper te maken en deze over de salade te sprenkelen. Ik maak alles af met geplette pistache nootjes en wat geraspte appel en loop met bord en al naar de eettafel. Onder het eten laat de gedachte aan het astrale avontuur me toch niet los. “Wat als ik vandaag nou eens zelf zou gaan proberen zo’n astrale reis te maken met de technieken die in het boek staan beschreven?” Ik rust mijn vork en mes even op de rand van het bord om dit idee tot me door te laten dringen. Het probleem is dat ik ook heel graag naar Overijsel wil en het is al half twee in de middag. Ik zal zo moeten vertrekken wil ik niet in de file terecht komen en daarnaast heb ik er geen idee van wanneer Jeroen thuis komt. Als ik wil oefenen met zo’n astrale reis, zal ik daar sowieso een uur of anderhalf voor willen uittrekken. “Het zou toch wat zijn”, mijmer ik verder. “Als het me lukt om zo’n astrale reis te maken en ik ook nog terug kan gaan naar mijn huidige jaar. Zou dit de oplossing zijn voor mijn probleem?” Ik zucht even tussen twee happen door en vraag het me af. Ik heb natuurlijk niet het hele boek gelezen, maar Robert Monroe rept met geen woord over tijdreizen via deze astrale methode. En ook al zou het me lukken om vooruit in de tijd te gaan, wie geeft me de garantie dat ik op de goede plek terugkom en niet ineens naar 2079 ga of weer in een parallel universum terecht kom?

En nu ik toch in piekermodus terecht gekomen ben, ga ik mezelf afvragen of ik überhaupt wel op zoek moet gaan naar Sasja aan de andere kant van het land. Hij is nu een puber van zestien jaar oud en ziet me al aankomen. Ik begrijp ook wel dat ik hem alleen wil zien, omdat ik de behoefte heb aan mijn geliefde, die ik mis en die me zo vertrouwd is. Aan de andere kant vermoed ik dat Sasja me wel zal geloven en me eventueel zou kunnen helpen met het oplossen van dit probleem. Ik voel intuïtief aan dat het de juiste keuze is om naar Overijssel af te reizen en besluit te gaan opruimen en inpakken.

 

Lees HIER het volgende deel >>>

Copyright © 2015 Tanja Ortmans 

DisclaimerElke overeenkomst met bestaande personen -in leven of overleden-, gebeurtenissen, plaatsen of entiteiten berust op louter toeval. Alle personages, gebeurtenissen, plaatsen en entiteiten zijn fictief en verhouden zich op geen enkele manier tot een werkelijkheid van bestaande personen -in leven of overleden-, gebeurtenissen, plaatsen of entiteiten.

Photo credits: Creatice Commons image ‘Suspend’ by  Brooke Shaden (Flickr) edited by Tanja

Deel 26: Glazen sneeuwbol

Deel 26: Glazen sneeuwbol

Bijna vijf uur eerder trok ik hier de deur achter me dicht, volkomen in shock omdat ik plotseling was ontwaakt in dit al lang gesloopte huis. Nu sta ik weer voor de achterdeur van mijn vroegere studentenwoning. De ouderwetse, grote sleutel past nog steeds in het slot. Ik stap naar binnen de kleine keuken in en veeg mijn voeten aan de ruwe, bruine deurmat om het zwart-witte linoleum zo niet vies te maken. Ik zie op het aanrecht wat borden staan, een pan en een leeg bierflesje. “Zou dat van gisteravond zijn? Voordrinken voordat we naar ‘De Batavia’ gingen?” Ik vraag het me af en zet de tas met boodschappen op de grond tegen een keukenkastje aan.

Het is stil in huis. Jeroen is inderdaad al weggegaan om op tijd te zijn om op het ROC les te geven. De lamellen zijn nog dicht en de woning is zodoende gehuld in een duisternis die me onaangenaam voorkomt. Al deze aan de Zaan gelegen woonhuizen heb ik altijd een beetje spookachtig gevonden. Van vriendinnetjes die zelf aan de Zaan woonden heb ik ook de vreemdste spookverhalen gehoord. Van knipperende lichten tot verschijnende gedaantes in hun kamer ’s nachts. Zelf heb ik ook mijn portie geesten gehad in dit huis. Altijd aanwezig, maar nooit hinderlijk. Wel voor de gasten van Jeroen en mij die soms ’s avonds laat niet naar het toilet durfden op de gang.

Het maakt dat ik vlug de kamer doorloop om de lamellen voor de vier ramen te openen en het schemerlampje bij de televisie aan te klikken. Het is een bewolkte, grauwe dag, dus wat extra licht is geen overbodige luxe. Niet koud en met een graadje of zeventien is het net te warm voor de winterjas die ik vanochtend had aangetrokken. Ik hang hem terug aan de kapstok en besluit straks als ik weer weg ga te kiezen voor de zwarte herfstjas in suède-look die aan de kapstok hangt. Mijn laarzen doe ik uit en zet deze bij de deur.

In de deuropening van de woonkamer blijf ik even staan om alles in me op te nemen. Hoewel de aanblik van mijn woonkamer van vijftien jaar geleden me zo vertrouwd voorkomt, bekruipt me een gevoel van huivering als een grote spin, die langzaam over mijn rug krioelt. Dit huis is ondanks de open lamellen en het lichtje bij de TV donker en griezelig. Zeker bij de gedachte dat ik hier niet hoor te zijn op deze alternatieve tijdlijn in een jaar dat lang voorbij is.

Ik ga op de crèmekleurige ribcord bank zitten die ik, toen ik op mezelf ging wonen in 1992, tweedehands kocht. Ik hoor alleen de klok tikken en het zachte gebrom uit de keuken van de koelkast dat gedempt de woonkamer binnenkomt. Geen katten die spinnend op mijn schoot springen of kinderen die ‘mama’ roepen. De stilte ligt als een deken om mijn schouders en ergens vind ik het ook wel fijn om eindelijk even alleen te zijn in de luwte van dit avontuur. Het geeft me de tijd om na te denken. Koers te bepalen. Ik ben een type die meestal eerst doet en dan denkt. Misschien is dit wel het ultieme moment om gewoon eerst eens even goed na te denken, een strategie uit te vogelen en vervolgens in actie te komen.

Omdat ik hier op deze bank even de rust neem om te zitten en na te denken, word ik me gewaar van mijn lichaam, die aanvoelt als een door elkaar geschudde glazen sneeuwbol met kerst. Al het sneeuw dwarrelt als een razende langs het kersttafereel in de glazen bol. Al mijn zenuwen zijn tot het uiterste gespannen van alles wat ik de afgelopen uren heb meegemaakt. Dode mensen leven weer, levende mensen blijken dood te zijn, om vervolgens door een glitch in de tijd weer te leven. Familieleden die niet op de plek wonen waar ze horen te wonen en ga zo maar door. Ik ben geconfronteerd met huizen en mensen uit het verleden waar een hele historie aan kleeft met gevoelens en herinneringen. Wat ik nu nodig heb is wat kalmte, zodat alle dwarrelende sneeuw van stressvolle gebeurtenissen, gedachten en gevoelens in mijn systeem ook weer kan gaan liggen. Daarna is het wellicht mogelijk om helder te gaan denken en mezelf te heroriënteren.

Ik besluit even te gaan liggen op de bank en trek een groot vest dat over de leuning hangt over mezelf heen. Mijn hoofd rust op een kussen van de Xenos met een geprinte roze bloem op het textiel. Ik staar naar het drie meter hoge plafond en bewonder de prachtige rozet die ongeveer twee meter in diameter is. Onze papieren hanglamp die eruit naar beneden hangt is eigenlijk een dissonant in de fijn bewerkte structuur van de rozet. Dat ik dat vroeger nooit heb opgemerkt. Blijkbaar kijk ik nu ik wat ouder ben met andere ogen naar de wereld van vroeger.

Ik heb zo van hot naar her geracet de laatste uren zonder mezelf werkelijk de tijd te gunnen diepgaand na te denken over de opmerkelijke situatie waar ik zo plotseling in terecht ben gekomen. De grote vraag natuurlijk is, wat het precies was dat ervoor gezorgd heeft dat ik hier nu lig. Op deze plek in dit jaartal. Omdat ik opgeleid ben als hypnotherapeut en alles weet van regressie en herinneringen terug halen, besluit ik mezelf in een lichte hypnose te brengen om te proberen alle gebeurtenissen van gisteravond terug te halen. Dat was immers het laatste moment waarin ik me bevond in mijn eigen jaartal.

Bijna op de automatische piloot, breng ik mezelf via zelf-hypnose in trance. Ik focus me op mijn ademhaling, die steeds rustiger wordt, terwijl ik aftel van tien tot één. Bij elke tel voel ik mezelf steeds meer tot rust komen. Ik stel me voor dat ik naar beneden loop een trap af en bij elke tel naar beneden een trede lager stap van de trap af. Als ik bij de eerste tel ben aangekomen, stap ik de trap af en voelt mijn lichaam volkomen ontspannen aan.

Voor mijn geestesoog laat ik een ouderwetse bioscoop opkomen en als ik naar binnen ga, zie ik de grote zaal gevuld met behaaglijke stoelen die bekleed zijn met rood velours. Ik ga zitten, vooraan bij het witte doek en merk dat in het frisdrank-bakje een afstandsbediening ligt waarmee ik zelf de film kan aanzetten, op stop en pauze kan zetten en vooruit en achteruit kan spoelen.

Zodra ik mijn vermoeide lijf achteruit laat leunen tegen de zachte kussens  worden de schemerlichten van de bioscoop gedempt en gaat er een dik rood gordijn open. Erachter wordt een gigantisch bioscoopscherm zichtbaar en de film gaat lopen. Net als vroeger zie ik op de zwarte achtergrond witte letters verschijnen die terugtellen van 10 naar 1. Net zoals ik zojuist heb gedaan toen ik mijzelf al terugtellend op de trap in trance bracht.

En dan verschijnt op het doek de badkamer van mijn eigen huis. Ik zie mezelf in de spiegel, terwijl ik mijn tanden poets. De mascara zit in vegen over mijn hele gezicht en met wat kokosolie haal ik mijn oogmake-up er helemaal af, zodra ik klaar ben met tandenpoetsen. Dan zie ik mezelf naar de slaapkamer lopen. Sasja ligt er nog niet in. Ik vermoed dat hij beneden nog wat werk aan het afmaken is op de computer. Ik leg mijn mobiel aan de lader en plug mijn oortjes er ook in, omdat ik blijkbaar van plan ben om nog wat te luisteren. Het beddengoed is wit en de klamboe is opengeslagen. Waarschijnlijk omdat er in mei nog geen mug te bekennen is. Op het grote bioscoopscherm zie ik de Sylvia uit 2014 in het bed kruipen en haar gsm pakken. Ze zoekt iets op, maar ik kan niet zien wat het is. Dan doet ze haar oortjes in, legt haar mobieltje naast zich neer en knipt het licht uit. Op het blauwe schemerachtige licht van het telefoonscherm na, is het donker in de kamer. Alleen door de luxaflex voor het raam komt wat gelig licht van de tuinlamp van de buren. Ik zie dat ik ga liggen om iets te luisteren en ik vermoed dat het belangrijk is. Dit was het laatste dat ik deed voordat een mysterieuze kracht mij de volgende ochtend terug naar de vorige eeuw beamde.

Ik ga wat vooruit zitten in mijn bioscoopstoel, maar dat bevordert mijn zicht op het telefoonscherm niet. Tegelijkertijd probeer ik zelf na te denken over wat het was dat ik gisteravond luisterde. Het was iets op YouTube, zoals bijna elke avond. Het zal een lezing, een TED talk, satsang of een meditatie geweest zijn. Maar hoe hard ik mijn hersenen ook pijnig en hoe intensief ik ook tracht om het telefoonschermpje te zien, ik word geen steek wijzer. En dat betekent dat ik een list moet bedenken om er achter te komen wat ik met mijn laatste wakkere moment in 2014 gedaan heb.

 

Lees HIER het volgende deel >>>

Copyright © 2015 Tanja Ortmans 

DisclaimerElke overeenkomst met bestaande personen -in leven of overleden-, gebeurtenissen, plaatsen of entiteiten berust op louter toeval. Alle personages, gebeurtenissen, plaatsen en entiteiten zijn fictief en verhouden zich op geen enkele manier tot een werkelijkheid van bestaande personen -in leven of overleden-, gebeurtenissen, plaatsen of entiteiten.

Photo credits creative commons: Lady May Pamintuan (Flickr)

Deel 25: Boodschappenmuseum

Deel 25: Boodschappenmuseum

Als ik de auto uitstap en wat mensen zie lopen op de parkeerplaats, word ik me bewust van mijn voorkomen. “Wat zullen ze wel niet van me denken? Ik heb geen make-up op mijn gezicht en zie er vast wat verfomfaaid uit. Mijn winterjas ziet er te warm uit.” De gedachten huppelen random mijn bewustzijn binnen. Onzekere gedachten die passen bij een zesentwintigjarige. Maar niet bij de vrouw die ik ben geworden. Ik druk ze weg en loop met ferme pas de winkel binnen.

Alles ziet er nog hetzelfde uit. Het is alsof ik het Albert Heijn museum inloop van vijftien jaar geleden. De kassa’s zijn niet vierkant zoals tegenwoordig, maar bol aflopend en de kassamedewerkers hebben een ouderwets blauw shirt aan. Ik pak het magazine van de Albert Heijn die ik op een stapel zie liggen en laat mijn handen over de gekrulde letters van de titel gaan. Tegenwoordig is de ‘Allerhande’ veel strakker van design. Ik klap hem op en laat mijn vingers langs de pagina’s glijden, tot het blad openvalt op een recept voor spek pannenkoekjes. Nu denk ik als planteneter ‘zielig voor die varkentjes’. Vroeger had ik gedacht: ‘Lekker, dat ga ik vanavond maken’.

Ik pak een metalen winkelwagentje die iemand in de hoek heeft laten slingeren, laat de ‘Allerhande’ er in vallen en loop de winkel in. Ik heb geen boodschappenlijstje gemaakt, maar ik moet fruit, groenten, noten en gedroogde vruchten hebben. Daar kan ik dan de komende dagen wel op overleven. Ik zit meteen goed en ga op de afdeling vers op zoek naar alles wat ik hebben moet. Werktuiglijk en zonder erbij na te denken kijk ik omhoog. De prijzen van de producten zijn met wit krijt op zwarte bordjes geschreven. Zodra de prijzen tot me door dringen, schrik ik me een ongeluk. “Wat is er aan de hand met de prijzen op deze tijdlijn?” Fluister ik zachtjes. “Een kilo bananen 2,99, kilo appelen 2,79, pond pruimen 2,99, een komkommer 1,79.” Ik zucht. Ik hoop dat ik in deze alternatieve realiteit waar de prijzen zo torenhoog zijn, ook een vergelijkbaar hoog inkomen heb en dito bedrag op mijn bankrekening. Maar eerlijk gezegd word ik een beetje moe van alles wat anders is dan dat ik denk en vind dat het zou moeten zijn.

Ik ben zo vaak hier geweest in deze winkel en vreemd genoeg kan ik me ook na vijftien jaar precies herinneren waar alles ligt. Gelukkig klopt de indeling van de winkel wel nog. Ik pak lukraak verpakkingen uit het schap om ze te bekijken. Net als de inrichting van de winkel, de kleding van de medewerkers, de terracotta kleurstelling boven de met spots verlichte afgeronde schappen, zijn de verpakkingen anders. Van vroeger. Maar wat er precies anders is kan ik niet zeggen. Totdat ik langs de zoutjes loop. Verbaasd sta ik voor het chips-schap. Ik ben dol op chips en eet het – ondanks mijn zeer gezonde leeftijd- wekelijks. Sommige dingen kun je als mens nou eenmaal niet weerstaan. En tot mijn verrassing zie ik mijn favoriete chips merk staan: Smiths! Blijkbaar waren de aardappelchips van Smiths nog geen Lay’s geworden in 1999. Ik heb die overgang altijd onnodig gevonden en ik ben daarna ook uit pure baldadigheid overgestapt op chips van het huismerk. Nu neem ik echter twee zakken Smiths naturel ribbelchips mee. Voor als ik hartige trek krijg in de auto naar Overijssel straks.

Als ik verder loop en de hoek omga naar de koekjes en chocola, zie ik plotseling een bekend gezicht en mijn hart schiet van schrik in mijn keel. Het is mijn bemoeizuchtige buurvrouw en ik heb geen zin in confrontaties met personen uit het verleden. Ik duw mijn karretje snel richting de kassa, maar het kwaad is al geschiedt.

“Hé Sylvia! Sylvia!” Roept ze. De ratelende wielen van haar snel voortgeduwde karretje komen dichterbij. “Hoe is het met je?” Haar roodomrande ogen verraden een ongezonde levenswijze met te veel sigaretten en drank. Ik slaak een zucht.
“Hai Hetty.”
“Ik zag je zo vroeg weg gaan vanochtend. Was er wat bijzonders?” Blijkbaar heeft ze door het raam staan gluren toen ik om kwart over zes haastig de woning verliet.
“Nee hoor, niks bijzonders”, zeg ik terug. “Ik had een spoedklus voor m’n werk. Je kent het wel.” Ik knik en lach een beetje schaapachtig. “Ik ga zo weer terug. Haast weetjewel.” Ik hoop dat Hetty snapt dat ik geen zin en tijd heb om de rest van de dag met haar te kletsen over niets. Vroeger was ik blijven staan, maar nu is dat anders. “Ik moet weer verder hoor.” Meld ik haar, terwijl ik vriendelijk lach. “Mijn klanten verwachten me terug.” Maar Hetty laat zich zo makkelijk niet afschepen.
“Wat zie je er slecht uit vandaag”, zegt ze, mijn witte gezicht bestuderend.
“God, waar is hier de nooduitgang?” Denk ik knorrig bij mezelf. Het is een uur of half elf en ik ben toe aan wat te eten. Mijn rommelige maag en lage bloedsuikerspiegel maken me op zulke momenten ook niet de vrolijkste mens.
“Ik ben moe, Hetty”, brom ik terug
“Heb je de bonus aanbieding van deze week gezien?” Houdt ze vol mij te tarten met haar aanwezigheid. “Ik vind dat toch zo slim bedacht van de Appie met die bonus elke week en dan die kaart erbij. Heb jij al zo’n kaart?” Ik weet even niet wat ik moet antwoorden. Na invoering van de bonuskaart heb ik geloof ik een jaar gewacht met het in gebruik nemen ervan, bang dat al mijn  privé gegevens op straat zouden komen te liggen en de Appie precies zou weten wanneer ik mijn menstruatie heb.
“Nee, ik heb even niet op de bonus aanbieding gelet”, probeer ik vriendelijk terug te zeggen.
“Kom je straks nog even een bakkie doen en een sigaretje roken bij mij boven?”
“Klinkt gezellig Hetty, maar ik ben gestopt met roken en koffie.” Ik  glimlach allerliefst. “Nu moet ik echt gaan. Dag hoor!” En voordat mijn buurvrouw uit het verleden nog iets kan zeggen, duw ik haastig mijn karretje voort richting kassa.

Zodra ik de kassa’s nader, scan ik half in paniek de rijen door om te kijken of ik iets van bekenden kan ontwaren. Die zie ik niet en ik probeer de kortste rij uit te kiezen en manoeuvreer daar mijn boodschappenkar naar toe. Ik realiseer me dat ik me momenteel in een parallel universum bevind, hoe bizar dat ook moge klinken en dat de Sylvia op deze tijdlijn mensen kent die de Sylvia van nu niet kent. Als de ontmoeting met Hetty mij iets heeft geleerd, is dat ik er niet op zit te wachten bekenden tegen te komen uit deze tijdlijn, noch uit mijn eigen verleden en dat het dus echt zaak is om zo spoedig mogelijk richting Overijssel te gaan, dan wel te maken dat ik terugkom naar mijn eigen tijd.

Zodra mijn op de band liggende boodschappen in de buurt van de kassière komen, begin ik me een beetje zenuwachtig te voelen. Deze tijdlijn is me vreemd en ik kan op basis van mijn herinnering aan mijn eigen tijdlijn niet met zekerheid zeggen of ik bijvoorbeeld de goede pincode weet of dat ik voldoende geld op mijn rekening heb staan. Ik kan zelfs niet met zekerheid zeggen of er überhaupt gepint kan worden. En daar ga ik zo achter komen.

“Goedemorgen.” Zegt de kassière vriendelijk en ze pakt als eerste de tros bananen om ze langs de scanner te halen.
“Hallo”, zeg ik wat schutterig terug. Ze heeft me hier waarschijnlijk al vaker gezien, maar ik herken haar niet.
“Heeft u een bonuskaart?” Ik kijk haar even vragend aan en werp vervolgens een blik in mijn portemonnee. Ik zie geen bonuskaart.
“Aan je sleutelbos”, zegt het meisje zachtjes. “Oja”, bedenk ik me. “Die had ik altijd aan mijn sleutelbos.” Ik geef haar de bos met sleutels en zij scant ze routinematig.
“Dat is dan zesentwintig gulden en vijftien cent”, zegt ze. Ik schiet in de lach. Natuurlijk! Daarom was alles zo duur. In 1999 worden er nog met guldens gerekend. Ik pak mijn portemonnee en grabbel mijn blauwe giropas van de Postbank er uit.
“Kan ik ook pinnen?” Vraag ik.
“Ja zeker”, zegt ze. Ik schuif mijn pinpas door de gleuf en als ik mijn pincode heb ingetoetst voel ik mijn hart zachtjes kloppen in mijn borst in stille afwachting op het ‘betaald’ in de display. En het lukt! De boodschappen zijn betaald, ik zet de plastic Albert Heijn tas die mijn moeder me bij het afscheid nog in mijn hand drukte op de loopband van de kassa en ruim alles in.

Als ik vijf minuten later in mijn auto zit, voel ik me opgelucht dat ik weer een barrière heb overwonnen. Nu heb ik naast een auto en een telefoon, ook boodschappen en geld tot mijn beschikking. Voordat ik onderweg kan naar Overijssel, ga ik eerst nog even terug naar het studentenhuis om me te wassen, op te maken en spullen te pakken. Ik zie op het dashboard klokje van mijn auto dat het even voor elven is. Ik heb nog ruim de tijd voordat Jeroen weer terug is van zijn werk.

 

Lees HIER het volgende deel >>>

Copyright © 2015 Tanja Ortmans 

DisclaimerElke overeenkomst met bestaande personen -in leven of overleden-, gebeurtenissen, plaatsen of entiteiten berust op louter toeval. Alle personages, gebeurtenissen, plaatsen en entiteiten zijn fictief en verhouden zich op geen enkele manier tot een werkelijkheid van bestaande personen -in leven of overleden-, gebeurtenissen, plaatsen of entiteiten.

Photo credits: Winkelinterieur van het AH filiaal 1151 Stadswinkel te Leidschendam, fotograaf onbekend (Bron: Stichting AH Erfgoed), edited by Tanja Ortmans

Deel 23: Stroomuitval

Deel 23: Stroomuitval

“Hey Saartje!” Roep ik vriendelijk uit. “Wat doe jij zo plotseling hier in mijn armen?” Ik druk het diertje dicht tegen me aan en ze geeft me een paar flinke likken over mijn gezicht. Dat mag ze eigenlijk niet doen en dat weet ze dondersgoed. Ik grinnik om haar ondeugd en druk haar stevig tegen me aan. Dat voelt fijn, omdat ik haar erg heb gemist sinds haar overlijden in 2001.

Ik voel de zachtheid van haar lijfje zo warm in mijn armen, die haar helemaal omsluiten. Ik heb mijn ogen dicht gedaan om te genieten van dit hondje dat me altijd zo dierbaar is geweest. Zo blijf ik even zitten met mijn ogen gesloten, terwijl Saar het zich allemaal laat welgevallen.

Ik weet niet hoe lang ik daar heb gezeten met haar, maar als ik mijn ogen weer open doe, realiseer ik me dat ik in slaap ben gevallen. In de auto? Ik kijk naar de zachte aanwezigheid van Saartje in mijn armen en zie tot mijn afgrijzen dat ik een vrolijk kussen met bloemetjesdessin tegen me aangedrukt houdt. Ik zit niet in de auto. Om me heen kijkend en probeer ik uit alle macht de omgeving tot me door te laten dringen, maar ik ben volledig gedesoriënteerd. Het is alsof mijn geheugen helemaal leeg is en niet in staat is om betekenis te geven aan de kamer die ik zie. Het laatste wat ik weet is dat ik in de auto zat met Saartje in mijn armen. En nu lig ik op een bank?

Het kloppen van mijn hart is voelbaar in mijn beide slapen. Ik laat het bloemetjeskussen met mijn rechterhand los en laat deze voorzichtig over de oppervlakte glijden van het object waar ik op lig. Ribbelig. Stof. Als ik naar boven kijk, zie ik behang op schuine wanden, dat me bekend voorkomt.

Dan ga ik rechtop zitten en klem mijn beide armen weer strak om het kussen heen in de hoop hier iets van houvast uit te kunnen destilleren. Maar er is geen houvast en mijn hoofd lijkt wel een lege vaas waar ooit de bloemen van mijn zelf in hebben gezeten. Het zelf dat wist wie ze was en waar ze was.

De enige vastigheid die ik me kan bedenken is proberen wat feiten op een rijtje te zetten van hetgeen ik nu waarneem. En dat is dat ik op een bruine ribcordbank zit met gezellige kussens, waarvan ik er een vasthoud. Ik ken deze bank ergens van en de kamer waar ik me in bevind ook en laat mijn ogen als een krankzinnige langs alle objecten gaan. Een blankhouten bed in de hoek en een wastafel in de andere hoek. Voor de open deur die ongeveer een meter hoger is gelegen dan deze kamer, staat een houten trappetje. Dan hoor ik in de verte een hondje blaffen en ik weet dat het Saartje is. “Ik had haar net nog in mijn armen toen ik in de auto zat. Toch? Maar Saartje is al lang dood.” Ik begin aan mijn eigen gedachten te twijfelen. Ik was bij mijn ouders thuis in het huis van vroeger. Met Saartje.

En dan, als een oude ziekenhuisgenerator die schokkerig aan gaat tijdens een stroomstoring, kickt mijn geheugen weer in. De stroomuitval van mijn geest heeft niet langer dan een halve minuut, misschien een minuutje geduurd, maar het voelde als eeuwig. Alsof ik tijdenlang in het luchtledige der vergetelheid heb rond gezweefd zonder te kunnen duiden waar ik me als persoon bevond. Puur omdat ik simpelweg geen herinnering meer had aan dat wat zo bij mijn persoonlijkheid hoort. Terwijl ik nu zie dat ik in mijn oude kamer zit met het Laura Ashley behang op de oude seventiesbank van mijn ouders, realiseer ik me dat het enkel de herkenning is hiervan die betekenis geeft aan mijn omgeving. En plotseling bekruipt me de gedachte dat ik niet weet wie ik zou zijn zonder herinnering. Want is dat niet alles waar wij als persoon op zijn gebouwd? Een herinnering? “Wie zou ik zijn zonder de conclusies die ik heb getrokken over het verleden? Wie ben ik zonder dat verleden? En bevindt zich dat verleden niet alleen in de opslagplaats van mijn geheugen? Wat als ik niet meer zou nadenken? Besta ik dan nog wel?” De filosofische gedachten rollen als achtbaanwagentjes op de rails van een rollercoaster voorbij. “Ik denk, dus ik besta”, schiet het ineens door mijn hoofd. “Was dat niet van die bekende filosoof Descartes?”

“Syhyl!” Galt de stem van mijn moeder uit de verte. Zodra het geluid mijn oren bereikt, herinner ik me de laatste intens verdrietige minuten met mijn moeder. Met een schok kom ik weer tot het besef dat ik in de verkeerde tijd ben, op een alternatieve tijdlijn en dat mijn geliefde zusje in deze tijd niet meer leeft. “Oh nee”, zucht ik en sta moeizaam op van de bank. Nog steeds het vrolijke kussentje vasthoudend begeef ik me via het houten trappetje, de tussenkamer en de gang weer naar beneden.

“Ik kom er aan, mam”, roep ik zodra ik boven in de gang ben aangekomen. Als ik langs de fotolijstjes loop, kan ik het niet helpen om mijn pas iets in te houden zodat ik ze nog even kan bekijken.

En daar hangt tot mijn grote verbijstering de foto van mij en mijn zusje uit 1998. Met onze armen om elkaar heen, breed glimlachend in de Amsterdamse Jordaan. “Ze is niet dood!” Ik heb het blijkbaar uitgeroepen want mijn moeder steekt vervolgens haar hoofd om het hoekje van de keuken en zegt:

“Wie is niet dood?”

“Oh niks, mam.” Ik glimlach en als ik de trap afdaal staat mijn moeder nog steeds in de deuropening te glimlachen, terwijl ze haar handen afdroogt aan een keukendoek.
“Blijf, je nog even Syl?” Vraagt ze. “Sandra komt zo even een kopje thee drinken, voordat ze naar haar klant moet. Ik dacht, misschien wel even gezellig.”

De blijdschap en opluchting die ik voel bij de bevestiging van het in leven zijn van mijn zusje is groot en de laatste treden huppel ik van de trap af.
“Gezellig dat Sandra komt, maar ik moet nu echt verder, mam. Echt waar!”Ik leg het leuke bloemetjeskussen op de hoekbank in de keuken. “Ik ga op zoek naar Sasja. En naar de weg terug naar huis. Mijn thuis.”

 

Lees HIER het volgende deel >>>

Copyright © 2015 Tanja Ortmans 

DisclaimerElke overeenkomst met bestaande personen -in leven of overleden-, gebeurtenissen, plaatsen of entiteiten berust op louter toeval. Alle personages, gebeurtenissen, plaatsen en entiteiten zijn fictief en verhouden zich op geen enkele manier tot een werkelijkheid van bestaande personen -in leven of overleden-, gebeurtenissen, plaatsen of entiteiten.

Photo credits Creative Commons: Brain Power by Allan Ajifo (Flickr), Edited by Tanja Ortmans

Deel 22: Ongeluk

Deel 22: Ongeluk

Mijn hart begin als een razende te roffelen en mijn adem gaat ineens veel te snel. Ik slik, maar kan de hyperventilatieaanval niet tegenhouden.

“Mam, nee, mam!” Ik buig voorover over de tafel en hijg snel, in de hoop iets van zuurstof binnen te krijgen. Maar ik krijg er juist te veel van binnen en daardoor beginnen mijn lippen te tintelen. Het gevoel van paniek trekt door mijn hele lijf heen en als ik een halve minuut later naar mijn over de tafel hangende armen en handen kijk, zie ik dat mijn handen zich vanuit de polsen in een onnatuurlijke houding naar binnen hebben gekruld. Mijn moeder heeft inmiddels haar armen stevig om me heen geslagen.
“Rustig maar meisje. Langzaam adem halen, ssssshhhhht, toe maar.” Als ze merkt dat mij proberen te kalmeren tevergeefs is, staat ze op om even later een boterhamzakje tegen mijn hijgende mond te drukken.

“Adem hier maar in, Syl, rustig aan.” Mijn moeder slaat haar armen weer om me heen.
Ik kan mijn ademhaling maar niet onder controle krijgen en het wordt licht in mijn hoofd van het teveel aan zuurstof dat ik binnenkrijg.

Net als ik bang ben om te gaan flauwvallen, wordt mijn ademhaling rustiger. Het boterhamzakje vangt mijn uitgeademde kooldioxide op, die ik weer inadem, zodat het zuurstofgehalte van mijn bloed langzaam weer naar normale waarden zakt.
“Gaat het weer een beetje, Syl?” Nog steeds met haar armen om me heen geslagen.
“Ja… gaat… wel… weer”, stamel ik moeizaam.

Dan komt mijn vader de keuken weer binnen. Hij heeft de paniek gehoord en is snel naar beneden gekomen, hoor ik aan zijn ademhaling.
“Syl, meisje, gaat alles goed met je?” Hij neemt de betraande ogen van zijn vrouw en mijn lijkwitte gezicht in zich op en weet dat er iets niet in de haak is.
“Alles gaat weer pap. En ook weer niet. Ik ben een beetje in shock. Mama zei dat Sandra dood is.”

Mijn vaders gezicht verstrakt en hij haalt een diepe teug lucht. Dan loopt hij traag om de tafel heen en gaat op de houten hoekbank zitten. Met de duim en wijsvinger van zijn rechterhand wrijft hij in zijn binnenste ooghoeken.
“Je gaat me toch niet vertellen dat Sandra in jouw tijd nog leeft?” Ik denk iets van een vleugje sarcasme in mijn vaders stem te horen en dat verbaast me. Het is geen sarcastische man. Eerder oprecht. Een man die zegt waar het op staat.

“Ik geloof niet dat ze dood is”, stuif ik bijna agressief uit naar mijn vader, wiens grijsbruine ogen ineens heel vermoeid staan. Ik zie dat mijn ouders een intens bedroefde blik met elkaar wisselen. Ik kijk mijn beide ouders ook afwisselend aan en hoop iets van hoop in hun ogen te zien. Of misschien wacht ik wel op het plotselinge verschijnen van Ralph Inbar, die ons gaat mededelen dat alles een geweldig goed opgezette Bananensplit stunt was.

“Sandra is niet dood”, zeg ik vervolgens doodkalm. “Ze is negenendertig en woont met haar leuke man en hun dochtertje en zoontje in een Pipi Langkoushuis in Zaandijk. Ze is erg gelukkig. Jullie hebben vier kleinkinderen, waar jullie heel veel van houden in 2014. In mijn tijd. Op mijn tijdlijn. Ik wil terug!” En dan wordt het me ineens te veel. De totaliteit van mijn wanhoop en de hopeloosheid van mijn situatie komt ineens als een onhoudbare allesverslindende lawine over me heen geraasd. Ik sla mijn handen voor mijn ogen en begin te huilen. Mijn schouders schokken en ik blijf vervolgens enkele minuten hartverscheurend huilen. Om het verdriet van mijn ouders, omdat op deze tijdlijn mijn zusje niet meer leeft, om deze idiote omstandighedem, omdat ik mijn kinderen mis. Alles komt er uit.

“Wat is er gebeurd met Sandra,” vraag ik mijn ouders als ik ben uitgehuild. Mijn ouders hebben allebei de tranen over hun wangen lopen en houden mijn handen vast.
“Het was een ongeluk. Een heel stom ongeluk”, zegt mijn moeder. Ze wrijft over haar voorhoofd.
“Wat voor ongeluk?” Ik staar mijn vader aan in de hoop dat hij me haarfijn gaat uitleggen wat er is gebeurd met mijn zusje.
“Vlak nadat we hadden besloten om het huis niet te verkopen, wilden we alles eens goed opknappen. Het hout kon een likje groen gebruiken en wij met zijn vieren, mama en ik en jij en Sandra besloten dit zelf te gaan doen. We hebben een steiger laten komen en zijn gaan schilderen. Op 28 augustus 1996 ging het verschrikkelijk mis.” Ik zie dat mijn vader zijn tranen moet wegslikken bij de gedachte aan deze tragische dag.

“We stonden op de steiger aan de achterkant van het huis. Mama en ik op het hoge gedeelte en jij en Sandra op het lagere gedeelte ervan. Jullie stonden nog niet eens zo hoog. Maar Sandra heeft op een bepaald moment haar evenwicht verloren, ze is misgestapt en naar beneden gevallen. Het was misschien een val van vier meter, maar ze kwam heel naar neer. Sandra was op slag dood. Dat is nu drie jaar geleden.”

Mijn moeder is in stilte gaan huilen en pakt een stukje van de keukenrol om haar neus te snuiten en haar tranen te drogen. Mijn vader houdt zich manmoedig goed. Het enige wat ik kan denken is dat ik als de donder terug moet naar mijn eigen tijdlijn. Ik kan en wil mijn zusje niet missen. Maar hoe kan ik zo egoïstisch zijn? En hoe zal het mijn ouders dan vergaan op deze tijdlijn?

“Mam, pap, ik vind het zo ontzettend erg voor jullie”, zeg ik dan. Voor mij leeft ze nog.” Hoewel mijn herinnering aan Sandra nog heel recent was, omdat we een paar dagen terug met beide gezinnen zijn gaan picknicken, drukt het verdriet van mijn ouders zwaar op me.
“Ik begrijp niet hoe je vergeten kan zijn dat je zusje is overleden.” Zegt mijn vader hoofdschuddend.
“Wat?” Ik kijk hem vragend aan. “Vergeten? Pap, het is nooit gebeurd voor mij. Ik heb je toch gezegd dat ik uit de toekomst kom? In mijn tijd op mijn tijdlijn is Sandra zo fit als een hoentje.”

Dan staat mijn vader abrupt op en loopt weer naar boven. In het voorbijgaan hoor ik hem iets van ‘niet te geloven’ mompelen.

“Lieverd, vergeef het hem maar. We zijn er allebei nog niet overheen. Papa voelt zich nog zo schuldig.” Mijn moeder omklemt mijn handen met de hare. “Hij heeft zichzelf nooit kunnen vergeven voor het feit dat hij geen professionele schilders heeft ingehuurd toen. Maar het leek ons zo gezellig dit met ons viertjes te doen. En dat was het ook. Totdat Sandra viel.” De blik in de ogen van mijn moeder is intens verdrietiger, dan ik ooit heb gezien.

“Het spijt me zo ontzettend voor jullie.” Ik pak op mijn beurt de handen van mijn moeder vast. Ik ga dit rechtzetten voor jullie. Dat ga ik doen. Ik moet weg nu en zal er voor zorgen dat Sandra weer levend en wel bij jullie terugkomt. Beloofd!”
“Is goed, lief.” Ik zie aan het gezicht van mijn moeder dat ze me niet werkelijk gelooft, maar wel haar best doet dit te doen.
“Ik ga nu, mam.” Ik sta op van de tafel en geef mijn moeder een hele dikke knuffel. De omarming is lang en intens. “Ik hou van je,” zeg ik haar zachtjes.
“Ik ook van jou.” Mijn moeder neemt mijn gezicht in haar handen.
“Zeg je tegen papa dat ik ook van hem houd?”
“Dat doe ik. Dat weet hij.” Zegt ze terug.

Nadat ik Saartje in mijn armen heb genomen en het vrolijk kwispelende beestje over haar buikje heb gekriebeld, pak ik mijn tasje, mijn jas en vertrek ik door de achterdeur, over het knisperende grind naar mijn auto. Op weg terug. Op zoek. Naar mijn tijd.

Maar als ik in de auto zit merk ik opeens tot mijn verbazing dat ik de kleine dwergteckel van mijn ouders ineens in mijn armen heb.

 

Lees HIER het volgende deel >>>

Copyright © 2015 Tanja Ortmans 

DisclaimerElke overeenkomst met bestaande personen -in leven of overleden-, gebeurtenissen, plaatsen of entiteiten berust op louter toeval. Alle personages, gebeurtenissen, plaatsen en entiteiten zijn fictief en verhouden zich op geen enkele manier tot een werkelijkheid van bestaande personen -in leven of overleden-, gebeurtenissen, plaatsen of entiteiten.

Photo credits Creative Commons: Jason Finch (Flickr)