door Tanja | mei 29, 2015 | Tijd Sci Fi vervolgverhaal
Ik kijk Wander wezenloos na als hij in twee stappen bij het gasfornuisje is en het vuur onder de fluitketel uitdraait. Ik sta nog steeds in de deuropening van de wc en houd met beide handen de deurposten vast. Bang om weer in elkaar te zakken. Op zijn gemakje zie ik mijn rossige vriend in de weer om twee koppen thee te zetten. Mijn oververhitte brein lijkt ineens in een meltdown terecht gekomen te zijn als ik me langzaam omdraai en de deur achter me sluit.
Zittend op de koele, zwarte wc-bril komt de bizarre werkelijkheid dan toch mijn bewustzijn binnen gedruppeld. Voorovergebogen zit ik met mijn ellebogen op mijn bovenbenen en mijn hoofd in mijn handen gesteund naar de witte tegeltjes te staren. Er is een klein hoekje af van een van de tegeltjes en het scheurtje wat uit dit hoekje ontstaat, loopt het tegeltje door om uiteindelijk halverwege te eindigen. Een beetje kronkelend. Net als de Rijn in Duitsland. Het is alsof dit soort futiliteiten noodzakelijk zijn op dit moment, omdat ik het feit dat ik vijftien jaar terug in de tijd ben gegaan anders gewoon niet kan omvatten. Ik, Sylvia Lievegoedt, een eenenveertige jarige, gescheiden moeder zit hier in negentiennegenennegentig op de wc van haar al dertien jaar dode vriend naar de tegeltjes te staren. Ik ben vanochtend naast mijn ex-man ontwaakt in het al lang gesloopte studentenhuis en in mijn ouwe, rode Seat Ibiza naar Zaandijk gereden. Op doorreis naar Wormer, waar ik mijn huidige man, zoon en dochter hoop aan te treffen. Gewoon in ons eigen huis waar ze gisteravond zo lief lagen te slapen toen ik ze nog even goed instopte.
Een klopje op de deur.
“Gaat het nog met je? De thee is klaar.” Wanders stem klinkt zacht. Fluisterend haast.
“Ja het gaat, ik kom zo!” Antwoord ik kalm. Hoewel mijn lijf rustig voelt, is er in mijn hoofd een marathon gaande van gedachten. Ze lopen als een 13-baans snelweg krioelend onder en boven elkaar door. Kronkelend, zijweggetjes nemend in de hoop ergens een oplossing te kunnen vinden voor mijn problemen. Die problemen zijn kinderlijk eenvoudig te beschrijven:
Hoe ben ik in 1999 terecht gekomen?
En hoe kom ik weer terug in 2014?
Maar ik heb waarschijnlijk een team nodig van Albert Einstein, Nikolas Tesla, Alan Watts en Cynthia Sue Larson om deze op te lossen.
Ik moet nadenken. En informatie verzamelen over tijdreizen, tijd, kwatummechanica en Oosterse filosofie. Ik weet zelf al wel veel, want Tijd is mijn hobby en ik heb als Hypno-en Regressie therapeut, zowel zelf als met cliënten, veel met tijd gewerkt. Problemen in het nu zijn altijd afkomstig uit onze ontevredenheid met het verleden of ons gepieker over de toekomst. Hoewel het in onze verbeelding terugreizen of vooruitreizen in de tijd, daadwerkelijk kan helpen bij het maken van beslissingen voor de toekomst en het transformeren van leed uit het verleden, vindt het altijd enkel plaats in de verbeelding. Hoewel ze zeer reëel aanvoelen gebeurt het allemaal niet in het tastbare leven. En ik zou werkelijk niet weten hoe ik in het echte leven in deze situatie ben belandt. Ik weet een hoop, maar dus bij lange na niet genoeg om zelfstandig uit dit complexe probleem te geraken. Ik realiseer me dat ik waarschijnlijk moet Googlen om meer informatie te vinden over tijd en misschien via deze informatie in contact kan komen met mensen die me kunnen helpen een oplossing te vinden. De oude, Internetloze telefoon in mijn tasje popt voor mijn geestesoog op en ik denk met weemoed terug aan mijn razendsnelle, technologisch zeer geavanceerde Samsung S5 uit 2014 met alle toeters en bellen en bovendien met heel snel Internet. En ik begrijp dat ik een computer moet vinden, want via mijn ouwe Motorola gaat er niets spannends gebeuren.
“In 1999 moesten we toch nog inbellen op de computer?” Mijn brein knarst. “Netscape. Was dat niet de browser waar we destijds op surften? En Google bestond toen volgens mij nog helemaal niet.” Ik kan me herinneren dat ik langer dan wie dan ook heb vastgehouden aan Ilse en Startpagina, totdat ik echt niet meer onder Google uit kon.
“Ik kan het beste naar de penthouse van mijn ouders rijden in Wormer, waar ze wonen sinds ze in 1996 de villa verkochten. Daar kan ik op Internet. Toch? Hadden mijn ouders in 1999 al Internet?” Ik sluit mijn ogen en er verschijnt een diepe fronsrimpel tussen mijn wenkbrauwen, terwijl ik graaf in mijn herinnering.
“Ja natuurlijk hadden ze al Internet. Mijn vader had dat nodig voor de zaak en volgens mij waren ze halverwege de jaren negentig al online. Jeroen en ik volgden in 1997. Na Wander, want hij was de aller eerste van onze vrienden met een inbel mogelijkheid. Maar ik wil Wander niet verder lastig vallen met mijn problemen. Ik kan maar beter doen alsof alles normaal is en ik de 26-jarige Sylvia ben die gewoon even hard op haar hoofd is gevallen en daardoor wat in de war is. Als ik echt vijftien jaar terug ben gegaan in de tijd, moet ik vanaf nu af aan verschrikkelijk gaan oppassen voor het butterfly effect.”
Het vlindereffect werd volgens mij door een of andere wetenschapper uit de zestiger jaren beschreven. Hij zei dat het gefladder van een vlinder in Brazilië door een opeenstapeling van effecten, maanden later een tornado in de Verenigde Staten konden veroorzaken. Het komt er op neer dat veranderingen, hoe klein ook, zoals het gefladder van een vlindervleugel, enorme verschillen kunnen veroorzaken in de toekomst.
Ik weet niet meer uit welk jaar de film ‘The Butterfly Effect’ komt met in de hoofdrol die leuke ex van Demi Moore. Maar ik heb de film wel vijf keer gezien, zo bijzonder vond ik hem. De hoofdpersoon vindt een manier om terug te gaan naar het verleden en probeert zijn verleden ten positieve te veranderen. Hij merkt echter naarmate de film vordert, dat als hij weer terugkomt in het heden, daar onaangename afwijkingen hebben plaatsgevonden. Hij probeert door heen en weer te reizen tussen verleden en heden een zo optimaal mogelijke toekomst voor zichzelf en zijn geliefden te creëren. Dit blijkt buitengewoon lastig. Een geweldige film om te kijken, alleen niet om me te bedenken dat ik ongeveer in dezelfde situatie terecht gekomen ben. In mijn eigen verleden, zittend in het lichaam van toen.
Ik zucht diep en sla mijn rechterhand voor mijn ogen.
“Hoe kom ik hier uit? Ik wil terug naar mijn kinderen en mijn man. Mijn kinderen zijn nog niet eens geboren. Godsamme.” Weer dat paniekgevoel dat zich rond mijn borststreek omhoog welt als een bruisende rivier van speldjes.
“Wat als ik hier moet blijven? Wat dan? Moet ik dan weer trouwen met Jeroen? Weer scheiden? Al die ellende weer opnieuw doormaken? Wat als het me nou niet lukt om terug te komen? Wat dan?”
Een rilling loopt over mijn ruggengraat van beneden tot boven in mijn nek.
“Ik moet terug. Hoe dan ook.”
Ik besluit op te staan van de inmiddels warm geworden wc-bril, mijn thee bij Wander op te drinken en op onderzoek uit te gaan. Er is werk te doen.
Lees HIER het volgende deel >>>
Copyright © 2015 Tanja Ortmans
Disclaimer: Elke overeenkomst met bestaande personen -in leven of overleden-, gebeurtenissen, plaatsen of entiteiten berust op louter toeval. Alle personages, gebeurtenissen, plaatsen en entiteiten zijn fictief en verhouden zich op geen enkele manier tot een werkelijkheid van bestaande personen -in leven of overleden-, gebeurtenissen, plaatsen of entiteiten.
Photo credits: (CC-BY-NC-SA) Mindfulness (Flickr)
door Tanja | mei 21, 2015 | Tijd Sci Fi vervolgverhaal
Er komt geen schreeuw, geen oerkreet, geen drama, zoals je in films ziet. Terwijl ik langzaam opsta hoor ik mezelf toonloos het woordje nee herhalen. “Neeneeneeneeneenee. Neeneeneeneenee.” Als een gekooide tijgermoeder die haar jongen kwijt is, loop ik kleine rondjes met mijn hoofd naar beneden, alsof ik iets zoek. Ik wil hoe dan ook vasthouden aan het beeld van Wander op de IC met zijn witte gezicht aan allerlei draden. Levensgevaarlijk gewond misschien, maar in leven. Ik wil Wander op de IC. Ik wil niet tot me door laten dringen wat ik net heb gehoord. Maar er is niet zoiets als een beetje dood. Of een beetje zwanger. Dat zijn van die dingen in het leven die geen marge kennen. Dood is dood. Zwanger is zwanger. Zwart of wit. Geen fifty shades of grey.
Achteraf hoorde ik van mijn aanwezige vrienden dat ik heel raar met mijn hoofd heb geschud, terwijl ik met mijn vrije hand aan het zwabberen was. Een beetje als Joe Cocker.
“Nee nee… nee nee.”
Karsten luistert rustig naar mijn ontkenningen, totdat ik weer bij zinnen kom. Alsof iemand een schakelaar omzet in mijn brein, komt ineens mijn vertroebelde verstand weer terug.
“Wat is er gebeurd, Karsten?
Karsten vertelt over de tegenligger die Wander niet meer kon ontwijken, toen hij de auto voor hem wilde inhalen. Ze zijn frontaal op elkaar gebotst. De tegenligger is zwaar gewond geraakt. Wander was op slag dood.
Ik vraag Karsten door naar alle voorhanden zijnde details. Hoe laat en hoe het is gebeurd en waar het ongeluk precies plaats vond. Karsten weet dat het even na half zeven gebeurde op de Provincialeweg N246 van Velsen-Noord richting Westzaan. Maar hij weet natuurlijk niet alles. Wat ik wel weet is dat Wander haast heeft gehad om op tijd te komen op mijn verjaardag. Het gezellige onderonsje met al onze gezamenlijke vrienden waar hij nooit op zal verschijnen. En mijn verjaardag zal ook nooit meer hetzelfde zijn. Achtentwintig jaar na mijn geboorte, overleed mijn goede vriend, omdat hij iets te haastig op weg was naar mijn verjaardag.
“Nou, weet je wat,” zegt Wander, terwijl hij mij een zacht klopje geeft op mijn met deken bedekte been en zich langzaam losmaakt uit mijn omhelzing, “ik ga een lekker kopje thee voor je zetten.”
Ik schud het beeld van de bewuste verjaardag, dertien jaar geleden letterlijk uit mijn hoofd en kijk Wander aan die inmiddels is gaan staan en hoog boven mij uit torent.
“Dat is een goed idee, zo’n kopje thee”, rijm ik en ik zwiep voorzichtig mijn voeten op de grond nog beduusd van alle herinneringen die zojuist langs mijn netvlies voorbij kwamen. Ik kijk Wander na, terwijl hij met zijn lange lijf rustig naar de keuken sjokt. Ik hoor het vertrouwde gerammel van kopjes en een waterstraal die een metalen fluitketel vult. Zodra de ketel op het vuur staat, komt Wander de huiskamer weer binnen, gaat aan de ronde, houten eettafel zitten en begint een sigaretje te draaien. Zijn vingers plukken behendig aan de tabak en rollen een perfect shaggie. Hij neemt zijn goudkleurige, ietwat gedeukte zippo aansteker in de hand en steekt zijn sigaretje aan. Hij inhaleert diep. Ik kan de rook bijna mijn eigen longen voelen vullen en plotseling komt er een enorm verlangen bij me op om de nicotine rush zelf ook in mijn lijf te ervaren. Dat is vreemd, omdat ik al twaalf jaar gestopt ben met roken. Een paar maanden voordat ik zwanger werd van Viggo, heb ik mijn laatste sigaret gerookt.
“Zo”, zegt hij, terwijl hij de rook langzaam uitademt en het pakje Van Nelle mijn kant op duwt, “Wat er allemaal aan het handje, Syl?”
Ik kijk verlangend naar het pakje. Zal ik er eentje draaien?
“Draai er lekker eentje, je ziet er uit alsof je het nodig hebt”, raadt Wander lachend mijn gedachten.
“Ik weet hoe moeilijk het is om te stoppen met roken, lieverd”, antwoord ik hem met een stem die nog wat zwakjes is van alle emotie.
“Ik ben nu al zo lang gestopt, dat ik het zonde vind om weer te beginnen, hoewel ik echt een moord doe voor een peuk, hoor.” Ik slaak een diepe zucht.
“Ja joh, je bent al een hele nacht gestopt met roken, schat”, grinnikt Wander en gooit het pakje shag in mijn schoot. Ik voel ineens dat ik heel nodig naar het toilet moet.
“Wan, ik moet even naar de wc”, zeg ik en ik sta rustig op, de deken en het pakje shag naast me neer leggend. Als een windvlaag ruist er een gevoel van duizeligheid door me heen en de witte spikkeltjes voor mijn ogen zouden sterretjes in een stripverhaal kunnen zijn.
“Oei”, stamel ik, terwijl ik iets naar beneden reik om de bankleuning te pakken. Wander staat vlug op en pakt me bij mijn elleboog.
“Gaat het? Kun je alleen lopen, of zal ik even met je meelopen?” Wander kijkt me wat ongerust aan.
“Ja het lukt wel. Echt het gaat.” Ik heb enorme zin om me even alleen terug te trekken in de kleine badkamer en bij zinnen te komen, realiseer ik me. Ik aai Wander geruststellend over zijn wang en loop voorzichtig via de keuken naar de aanbouw. Ik voel Wanders bezorgde blik als ik de hoek omga.
Het piepkleine badkamertje is nog precies zoals ik me dat herinner met het groene, planken deurtje waar ik met mijn een meter zestig maar net doorheen kan. Zodra ik de deur open stolt mijn bloed bijna in mijn aderen van schrik als ik in mijn rimpelloze, vijftien jaar jongere gezicht staar. De spiegel die recht tegenover de badkamerdeur boven de wasbak hangt, liegt niet. Ik heb zwarte panda ogen van de uitgelopen mascara van gisteren en er lopen donkere vegen over mijn wangen van het huilen van daarnet. Maar door al die oogmake-up heen, staart meedogenloos het gezicht wat ik ooit, vijftien jaar geleden had, mij aan.
“Wander!” Mijn stem klinkt wat schor van de paniek als ik hem roep. Ik hoor Wander vlug opstaan. Ik kijk achterom en mijn vriend staat in de opening van de woonkamer naar de keuken en houdt de deurpost vast.
“Gaat het?” Vraagt hij. Ik kijk hem indringend aan. Ik moet dit vragen. Ik moet doorvragen. Ik kan er niet meer onderuit.
“Wat is de datum van vandaag?” Aarzelend duw ik de vraag mijn keel uit. “Ik bedoel, ik weet dat het twintig september is. Maar welk jaar is het? In welk jaartal leven we?” Ik blijf hem dringend aankijken en zie hoe hij zijn wenkbrauwen hoog optrekt. Hij is even stil, alsof hij probeert in te schatten in welke mate ik gek geworden ben. Terwijl de fluitketel begint de gillen hoor ik door het snerpende geluid Wanders stem:
“Welk jaartal? 1999 natuurlijk!”
Lees HIER het volgende deel >>>
Copyright © 2015 Tanja Ortmans
Disclaimer: Elke overeenkomst met bestaande personen -in leven of overleden-, gebeurtenissen, plaatsen of entiteiten berust op louter toeval. Alle personages, gebeurtenissen, plaatsen en entiteiten zijn fictief en verhouden zich op geen enkele manier tot een werkelijkheid van bestaande personen -in leven of overleden-, gebeurtenissen, plaatsen of entiteiten.
Photo credits: (CC-BY-NC-SA) Roadsidepictures (Flickr)
door Tanja | mei 12, 2015 | Tijd Sci Fi vervolgverhaal
Donkerblauwe houten balken met een crème wit plafond verschijnen door mijn wimpers als ik mijn ogen langzaam open. Ik lig op een gestoffeerde bank. Lekker zacht, net als de wolk van zojuist. Kennelijk leef ik nog. Ik kom steunend op mijn linker elleboog half overeind. Ik kijk dwars door de kleine woonkamer van Wander heen zijn stokoude, krakkemikkige Zaanse keukentje in. De afwas staat te drogen in het metalen rekje. Een koekenpan staat wankel tegen een rij mokken aangeleund. Het zachte ochtendlicht valt naar binnen door het ouderwetse keukenraampje met de roodwit geblokte gordijntjes. Het licht van het gangetje dat van de keuken naar de aanbouw met de badkamer leidt, schijnt flauwtjes over de borden en kopjes heen. Ik neem de beetjes informatie die mijn net ontwakende wereld maar nauwelijks kan bevatten één voor één in me op. Dit is Wanders afwas.
“Afwas hoort aan de mooie, frisse lucht te drogen, dan heeft die lucht ook iets te doen”, placht hij altijd te zeggen.
Wanders afwas staat op Wanders droogrek in Wanders keukentje en ik kijk er wezenloos naar.
Dan hoor ik het krakende geluid van een bejaarde planken vloer en als ik opzij kijk naar waar het geluid vandaan komt, zie ik Wanders roodblonde piekhaar de gangdeur door komen. Zijn met sproeten bespikkelde gezicht dat ik al dertien jaar niet meer heb gezien, kijkt me dolblij aan. Hij draagt een verfrommelde deken in zijn armen.
“Hé lieve Syl, raar mens, je bent wakker, jij gek flauwvallend schepsel! Ik heb een warme deken voor je. Die buurman wilde een ambulance bellen, maar ik heb maar gezegd dat je zo wel weer wakker bent.” Zijn bekende hese stem ratelt door, terwijl hij de fleece deken over me heen legt.
“Hoe voel je je nu?” Zijn diepblauwe ogen met wat groene spikkeltjes langs de iris, kijken mij aan.
Er welt een intens diepe snik op vanuit diepe weggestopte krochten nooit geuit verdriet. Tranen beginnen over mijn wangen te stromen en mijn kin trilt. Ik kijk met mijn eveneens blauwe ogen recht in zijn bekende ogen.
“Wat is er, jezus, lieverd, wat is er, je huilt?” Wander slaat bezorgd de deken nog wat dichter om me heen. Ik haal mijn armen tevoorschijn en werp ze om zijn nek. Alsof ik alle tranen van verdriet van de hele wereld bij elkaar ineens huil, snik ik schokkend in zijn nek.
“Meisje toch”. Wander wrijft troostend over mijn rug. Dode Wander die ik hier nu zo lief, levend en stralend in mijn armen geklemd hou. Ik voel dat Wander zich wilt losmaken, maar ik laat hem niet gaan.
“Ik heb je zo-ho vrese-helijk gemist.” Mijn adem laat mijn stem overslaan. Dan laat ik hem los en pak zijn gezicht. Ik neem elke centimeter van zijn gezicht in me op. Hij kijkt me aan met een mengeling van verbazing en bezorgdheid.
“Wil je alsjeblieft vertellen wat er met je aan de hand is, we hebben elkaar gisteren nog gezien hoor?” Zegt hij op een wat vragende toon.
Wander duwt mijn met deken bedekte been zachtjes opzij en gaat op één bil naast me zitten op de bank. Ik ga wat rechterop zitten.
“O mijn God, Wandertje”, roep ik uit, terwijl een lach mijn betraande gezicht openbreekt. “Ik weet niet waar ik moet beginnen. Ik weet echt niet waar ik moet beginnen. Ik heb een absurde morgen gehad. Dat wil je gewoon echt niet weten.” Ik leg mijn linkerarm om hem heen en trek hem dichter tegen me aan. Lieve levende Wander.
Terwijl ik hem zo vast houd en aankijk, schiet mijn gedachtenmolen weer aan als ik me voor de zoveelste keer bedenk dat ik in een onmogelijke situatie ben terecht gekomen. Alle gebeurtenissen kloppen niet. Ze kloppen voor geen meter en toch voelt alles zo echt. De beelden van de gewraakte Valentijnsdag, dertien jaar geleden komen mijn bewustzijn binnen.
Het is mijn achtentwintigste verjaardag en er is bij Jeroen en mij thuis in onze Zaanse studentenwoning een gezellig samenzijn gaande. We hebben gefondued met een groep van onze vrienden en we zitten na te tafelen. Onze eikenhouten ronde tafel is uitschuifbaar. Bij de bovenbuurvrouw hebben we extra stoelen geleend. Na wat inschikken, kunnen we met zijn negenen om de tafel heen zitten. Er is een stoel over, want Wander is er nog niet. We wisten dat hij iets later zou komen, omdat hij eerst nog moest werken bij zijn stageplaats. Hij studeert Commerciële Economie en loopt momenteel stage bij een bedrijf ergens in Beverwijk. We hebben hem om zes uur nog gebeld op zijn mobiel en hij vertelde dat het iets zou uitlopen.
“Nou we eten alle stokbrood op en dat krat bier is ook leeg hoor, als jij te laat bent”, lachten we nog gekscherend door die telefoon heen. Het is inmiddels half acht als Jeroen een nieuwe fles Rheinhessen opent. Die mierzoete, Duitse witte wijn dronk ik indertijd met flessen tegelijk leeg. Ik moet er nu echt niet meer aan denken. Af en toe een roseetje of een witte chablis, maar dat is het dan ook.
Ik weet niet waarom ik op de klok kijk als de telefoon gaat. Onze ronde, houten klok aan de wand vertelt me dat het twee minuten over half acht is. Misschien maak ik me onbewust zorgen om Wander. Hij is nooit echt op tijd, maar als hij een uur te laat zou zijn, had hij meestal wel al lang gebeld. Ik loop naar de zwarte telefoon die naast de televisie staat op het grenen tafeltje. We hebben zo’n oude draadloze telefoon met de bekende, lange antenne die je nog moet uitschuiven als je iemand aan de lijn hebt.
“Met Sylvia Lievegoed,” zeg ik als ik de telefoon opneem.
“Sylvia, met Karsten spreek je”, kraakt het aan de andere kant. “Sylvia, ik moet je iets vertellen. Zit je?”
“Karsten wat is er, je klinkt raar?” Vraag ik bezorgd aan het twee jaar jongere broertje van Wander.
“Zit je, Sylvia?”Vraagt Karsten normaals.
“Nee ik zit niet, zeg nou maar wat er is!” zeg ik nu iets harder dan bedoelt. Achter mij zijn de stemmen van mijn vrienden verstomd. Ik voel hun ogen in mijn rug prikken, afwachtend, iets geschrokken door de toon in mijn stem.
“Is Jeroen daar ook?” De door de telefoon wat vervormde stem van Karsten klinkt dwingend.
“Ja, Jeroen is hier ook. En ik zit.” Ik heb inmiddels plaats genomen op onze ribcord bank en kijk naar Jeroen. Hij kijkt terug en hij ziet mijn bezorgde blik, terwijl ik hem wenk dat hij naast me op de bank moet komen zitten.
“Syl, Wander heeft een ongeluk gehad.”
Bam. Stomp in mijn maag. Ik voel mijn bloeddruk dalen, terwijl mijn hart begint te roffelen in mijn borst en mijn ademhaling versneld. Ik zie beelden van Wander op de IC aan allerlei draden. Uit zijn arm, door zijn neus. Machines die bliepen staan om hem heen. Het gedimde licht schijnt spookachtig op zijn witte gezicht met de gesloten ogen. Wander rijdt ook motor.
“Hij heeft een motorongeluk gehad,” zegt de stem in mijn hoofd. “Hij is zwaargewond en ligt in het ziekenhuis. We moeten er heen.” De beelden en gedachten razen in een fractie van een seconde door mijn hoofd.
“Heeft hij een motorongeluk gehad?” Vraag ik dringend.
“Nee, een auto ongeluk”, antwoordt Karsten.
“Ligt hij op de IC, Karsten?” Hijg ik van spanning.
“Syl… Wander is dood.”
Lees HIER het volgende deel >>>
Copyright © 2015 Tanja Ortmans
Disclaimer: Elke overeenkomst met bestaande personen -in leven of overleden-, gebeurtenissen, plaatsen of entiteiten berust op louter toeval. Alle personages, gebeurtenissen, plaatsen en entiteiten zijn fictief en verhouden zich op geen enkele manier tot een werkelijkheid van bestaande personen -in leven of overleden-, gebeurtenissen, plaatsen of entiteiten.
Phot credits: CC-BY-NC-SA by Seth Sawyer (Flickr)
door Tanja | apr 27, 2015 | Tijd Sci Fi vervolgverhaal
Als ik weer in mijn voormalige auto stap, leg ik mijn tasje naast mijn mobiel op de stoel naast me. De auto ziet er erg netjes uit, het zwarte tapijt is keurig gestofzuigd en de stoelen zijn kruimelvrij. Er maken duidelijk geen kinderen uit van het leven van deze wagen. Ik start de auto en leg The Brand New Havies gelijk het zwijgen op. Daar heb ik nu echt geen zin in, deze vrolijke noten. In plaats daarvan luister ik naar het vertrouwde geronk van de auto als ik wegrijd.
Vanuit de Hoogstraat in oud Koog, zet ik koers richting de kruising van de Guisweg, anderhalve kilometer verderop. Dit is de straat van mijn jeugd. Ik ken elk stoeptegeltje, elke boom, elk steegje, elk huis, elk detail. Als ik langs De Waakzaamheid rijd zie ik dat deze eeuwenoude, monumentale herberg er weer precies zo uit ziet als voordat de verbouwing annex restauratie startte rond 2012. Ik minder wat vaart en schakel de auto terug van drie naar twee.
De Waakzaamheid was in de vroege jaren negentig ’the place to be’ voor de ‘underground’ House en feest-scene. Ik heb er jaren gewerkt en deze plek op aarde voelde als mijn tweede thuis. Nadat ik de verbouwing in 2013 met eigen ogen heb gezien, was mijn huiselijk gevoel helemaal verdwenen. De Waakzaamheid is prachtig geworden, maar het heeft voor mij het huiskamerachtige, toegankelijke en vriendelijke karakter van de ‘Waak’ weggenomen. En nu ligt ‘mijn Waak’ daar weer in oude glorie aan mijn rechterhand, terwijl ik er met de auto langzaam voorbij rijd. Ook mijn oude, door mijn ouders zelf gebouwde huis even verderop is aan mijn linkerkant te zien. Het ligt een beetje ‘inverdan’ achter de bomen aan de rand van het Koogerpark.
En als ik de Guisweg nader, zie ik dat alles hier is zoals vroeger. De hinderlijke stoplichten zijn weg en de oude Julianabrug ligt gewoon nog uitgestrekt over de Zaan. Ze biedt vele toeristen elk jaar weer toegang tot de Zaanse Schans en helpt vele Zaankanters naar de overkant van de Zaan.
De nacht begint nu echt plaats te maken voor de dag en boven de Zaan wordt de lucht steeds lichter blauw. Het is erg rustig op de weg zo vroeg in de ochtend. Ik moet slechts een bestelbusje voor laten gaan die vanuit de kant van het spoor richting de brug rijdt. De rest van Koog aan de Zaan en Zaandijk lijken nog diep in slaap te zijn.
Ik steek de Guisweg over en rijd de Lagedijk op in het oude gedeelte van Zaandijk. Mijn zusje Sandra woont hier met haar man en mijn nichtje en neefje en ik besluit even naar haar huis te gaan. Ze zal zo ongetwijfeld wakker worden voor het ochtendritueel met de kinderen. En met haar wil ik even praten over wat mij nu overkomt. Misschien kan zij hier met haar open mind wat zinnigs over zeggen. Omdat het vroeg is, staan de auto’s van alle bewoners nog langs de weg in de parkeervakken en is er geen plaats voor mijn Ibiza. Ik besluit mijn auto dus even achter de hare te parkeren op de oprit, maar zie dat haar Matiz er niet staat. Ze heeft hem waarschijnlijk om het hoekje op de Parkstraat geparkeerd, waar de auto van haar man Patrick ook meestal staat. Ik zet mijn auto op de oprit achter hun huis, zodat mijn auto tussen hun huis en het oude huisje van Wander staat. Wander, mijn jeugdvriend, mijn goede vriend. Onze moeders waren hartsvriendinnen. Ik was anderhalf toen hij werd geboren en we zijn samen opgegroeid. Maar ook als tieners en volwassenen gingen we veel me elkaar om. Jeroen en ik hebben elkaar leren kennen via hem. Hij was net als ik goed bevriend met Wander. Ik stap uit de auto en kijk naar zijn huisje waar hij zo veel gelukkige jaren heeft gewoond, totdat hij op valentijnsdag 2001 om half zeven ’s avonds plotseling uit het leven werd gerukt, omdat hij zijn tegenligger niet zag bij een inhaalmanouvre. Ik mis hem. Zelfs nu na veertien jaar nog. Ik schud de herinneringen van me af en loop Sandra’s tuin in. Alles is anders. Villa Kakelbont, het speeltoestel van haar kinderen staat er niet en ook de tuinmeubelen en de groententuintjes van mijn zwager zijn weg. Ik begrijp het niet. Ik had toch gehoopt dat het hier in ieder geval normaal zou zijn. Hier op deze veilige have bij mijn enige zusje, maar ik redeneer dat ze ook de spullen gewoon even weggehaald kunnen hebben, omdat, ja gewoon. Ze zullen er vast wel een of andere reden voor hebben.
Ik voel aan de achterdeur. Als deze dicht blijkt te zijn voel ik aan de deur van de aanbouw, welke ook dicht is. Als ik achteruit stap, trap ik per ongeluk een leeg verfblik om dat daar blijkbaar stond. Het holle gedonder van het grote, lege blik op de stenen kinderkopjes snerpt door de stille ochtend. “Shit”, hoor ik mezelf hardop zeggen. Ik zet het blik weer rechtop en loop voorzichtig de tuin in die om hun huis heen loopt. Bij de tuindeur kan ik naar binnen kijken en ik zie tot mijn ongeloof dat niets van het meubilair wat mij van binnen aanstaart, mij bekend voorkomt. Ik voel een gevoel van complete moedeloosheid over me heen komen als ik terug loop naar mijn auto.
“Hé wat moet dat hier?” Hoor ik plotseling de donkere bas van een mannenstem roepen. Ik schrik me wezenloos en draai me om naar de man die in de deuropening van de achterdeur staat. “Jezus, een vreemde kerel in huis van mijn zusje”, denk ik en ik word bang. “Wat als hij alle spullen heeft verwisseld en mijn zusje en haar familie heeft vermoord?” Mijn gedachten gaan razendsnel.
“Mijn zusje woont hier!”Weet ik piepend uit te brengen.
“Nou, ik zal je zeggen, vriendin, dat dit MIJN huis is en dat jij in overtreding bent door je te bevinden op mijn erf”, bast de man geïrriteerd terug. “Dus wil je zo vriendelijk zijn jezelf en je rode auto te verwijderen van mijn oprit?”
Ik kijk hem angstig aan. “Ja, sorry, ik ga al. Ik was in de war,” stamel ik verward terug.
Als ik mijn autoportier vast heb om hem te openen, hoor ik ineens een bekende stem van boven.
“Syl, ouwe dief, wat doe jij nou hier zo in het holst van de nacht, lawaaierige vrouw?” Ik kijk naar boven. Uit het slaapkamerraam van zijn oude, groene huisje hangt een slaperige Wander mij lachend aan te kijken. Zijn uitnodiging om even binnen te komen voor een kop thee, hoor ik niet meer. Als ik mezelf langs mijn auto omlaag voel glijden, wordt alles zwart.
Lees HIER het volgende deel >>>
Copyright © 2015 Tanja Ortmans
Disclaimer: Elke overeenkomst met bestaande personen -in leven of overleden-, gebeurtenissen, plaatsen of entiteiten berust op louter toeval. Alle personages, gebeurtenissen, plaatsen en entiteiten zijn fictief en verhouden zich op geen enkele manier tot een werkelijkheid van bestaande personen -in leven of overleden-, gebeurtenissen, plaatsen of entiteiten.
Photo credits Saffrodite (Morguefile)
door Tanja | apr 20, 2015 | Tijd Sci Fi vervolgverhaal
Jeroen staat daar in een mengeling van schrik en irritatie naar me te kijken.
“Wat doe jij hier nu, Syl? Het is nog niet eens half zeven in de ochtend!” “Jezus, Joen, ik schrik me dood”, stotter ik. “Ik snap er niks van. Jij dan?” “Waar snap je niks van”, vraagt Jeroen. “Dat je ineens voor dag en dauw in je auto stapt?” Jeroen staat slaperig voor me en ik zie duidelijk een vouw van het kussen op zijn rechterwang. En toch klopt er iets niet aan zijn gezicht.
“Jeroen…wat doen wij hier?” Ik kijk hem indringend aan en alsof iemand een ijskoude hand in mijn nek legt, begrijp ik opeens wat er niet klopt aan dit plaatje hier. Jeroen staat in zijn ondergoed gehuld in zijn witte ochtendjas gebogen door mijn portier te kijken. Ik zie wat ik niet wilde zien. Ik word gedwongen hem goed aan te kijken en zijn jonge, vriendelijke gezicht te zien. Ik zie zijn donkerbruine ogen en de halflange krullen die zijn rimpelloze gezicht omlijsten. Hij ziet er weer uit als de knappe vijfentwintig jarige die hij ooit was. Niet als de sombere tweeënveertigjarige die hij is geworden na onze scheiding.
“Wat wij hier doen, Syl, is ons afvragen waarom jij niet in je bed hoort te liggen naast mij”, bromt Jeroen tegen me terug.
“Jeroen, ik moet nu echt even weg, ik moet wat doen, iets uitzoeken. Er klopt iets niet. Ik ga nu weg en ben straks weer terug.”
“En je werk dan? Ben je op tijd voor je werk? Ik moet rond elf uur op school zijn, zie ik je dan nog? Syl?” Jeroen kijkt me indringend maar wel vriendelijk aan.
Ik staar terug. “Shit. Werk.” Hoor ik mezelf denken. Jeroen vindt het blijkbaar volkomen normaal om als zijn oude zelf hier te staan voor ons oude huis en te praten over werk en school, maar ik wil gewoon terug naar mijn éigen huis en mijn éigen kinderen. Ik wil niet nadenken. Ik wil weg.
“Jeroen, ik kom terug natuurlijk, ik moet even weg om iets uit te zoeken”, probeer ik zo normaal mogelijk aan hem te communiceren. Het laatste wat ik nu nodig heb is iemand die mijn plannen gaat dwarsbomen. Ik wil nu weg.
“Ok, Syl, nou wat je ook gaat doen, neem in ieder geval je mobiel mee.” Jeroen geeft me de allereerste mobiele telefoon die ik ooit kocht in de zomer van 1999. Het was een glimmende zwarte van Motorola en ik kan me herinneren hoe ik meteen verliefd was op de kleine telefoon met de mooie rondingen. Met een handig klepje om de toetsen mee te beschermen en het oranje witte logo van mijn toenmalige telecom provider Dutchtone er op. Tot 2014 ben ik nooit van provider overgestapt. Dutchtone ging over in Orange en Orange werd door T-Mobile overgenomen. Ik heb ook al die jaren hetzelfde telefoonnummer gehouden. Ik kijk in ongeloof naar het kleinood in zijn hand en pak het aan.
“Dankjewel, Joen”, stamel ik. “Ik ga nu, ok?”
Jeroen knikt en buigt voor over om me een kus te geven. Ik buig terug en geef hem een kus langs zijn linkerwang. Hij sluit het portier en ik zie hem verdwijnen in de steeg.
“Op de zachte autostoel zit ik daar naar de mobiele telefoon in mijn hand te kijken. Ik klap hem open en herinner me hoe ontzettend blij ik was met mijn eerste mobiel. Als ik op het rode knopje druk springt de groene display aan en zie ik dat ik volledig netwerk heb, dat de telefoon bijna helemaal is opgeladen en dat het 6.27 uur is. Een datum zie ik niet staan en ik besluit daar even naar op zoek te gaan. Ik weet niet precies meer hoe de telefoon werkt. En er zit geen menu-knop op. Wel twee knopjes met pijltjes en ik vermoed dat ik daarmee door het menu kan scrollen. Ik scroll door het menu en kom inderdaad bij ‘Set time and date’ aan. Ik druk op ok en de datum flipt op het scherm:
20 sept 99
“Hij is op deze oude datum blijven staan,” denk ik bij mezelf. Ik vind het vreemd, want ik heb het toestel zeker gebruikt tot ik in 2001 mijn kleine, ronde Samsung kreeg. “Maar goed, de telefoon is vijftien jaar oud”, redeneer ik logisch, “dan is het niet zo gek dat data kunnen verspringen.”
Dan gaat in mijn geheugen een laatje open dat me vertelt dat dit een dual band telefoon was en ik realiseer me dat ik er in het huidige netwerk waarschijnlijk niet veel mee kan. Toch staat er duidelijk linksboven in het display dat ik volledig netwerk heb. Ik besluit mijn ouders te bellen. Hoe dan ook; zij zullen wel opnemen. Ik toets hun mobiele nummer in. “Tuutuutuu”, geeft de snerpende toon aan dat dit nummer niet in gebruik is. Ik zucht even diep en leg de telefoon voorzichtig op de stoel naast me. Op het moment dat ik dat doe, realiseer ik me dat ik helemaal geen portemonnee bij me heb. Geen pinpas, geen papieren, helemaal niets. “Ik zal toch weer even naar binnen moeten om mijn tasje te zoeken. Sinds mensenheugenis bewaar ik mijn portemonnee altijd in mijn tasje. Ik heb er vele gebruikt, maar ik hoop gewoon eigenlijk dat het zwarte gehaakte schoudertasje met pailletjes dat ik van mijn oma heb gekregen gewoon binnen ligt. Met mijn portemonnee er in. Ik stap uit de auto en loop terug de steeg in. De deur heb ik niet afgesloten, dus ik stap gewoon naar binnen. Daar meteen links aan een haakje van de kapstok, hangt mijn eigen, zwarte tasje gelukkig. Ik kijk er in en zie er mijn oude portemonnee in zitten. Ik sta in de deuropening van de achterdeur in mijn gammele houten keukentje en sla het kleine kleurrijke gevalletje open. Geërgerd, maar lichtelijk verbaasd, trek ik er een stokoud, blauw Giropasje uit. De Postbank is overgenomen door de ING bank jaren terug en sindsdien is mijn bankpas echt niet blauw meer, maar oranje. “Hier kan ik natuurlijk helemaal niks meer mee. Mijn bankgegevens kloppen wel, maar de ‘geldig tot 01 – 2004 lijkt me behoorlijk over datum. Niets verbaasd me echter nog in dit meest bizarre kwartier van mijn leven.
Ik hoor plotseling weer voetstappen. Jeroen weer. Hij steekt zijn hoofd langs de deur. “Was je wat vergeten?” vraagt hij nog steeds wat slaperig.
“Ja, mijn tasje,” zeg ik terug. “Jeroen, welke dag is het vandaag?” Ik hou mijn hoofd schuin als deze woorden aarzelend over mijn lippen komen. Ik wacht met spanning op zijn antwoord, terwijl hij nadenkt.
“Maandag natuurlijk!,” zegt hij. “Gisteren was het zondag en waren we bij de Batavia, weet je nog?”
“Natuurlijk weet ik dat niet meer”, denk ik bij mezelf. “Ik ben zojuist naast jou wakker geworden in ons oude huis, terwijl de wereld lijkt te zijn terug geswitcht naar de vorige eeuw.”
Ik laat echter niets van mijn gedachten merken en vraag hem: “Ik bedoel eigenlijk, welke datum. Welke datum is het vandaag?”
“Dat weet ik ook niet precies hoor. Negentien of Twintig september, zoiets?” antwoordt Jeroen me.
Weer alarmbellen. “Het is toch echt april”, flitst het door mijn hoofd. De volgende vraag durf ik niet te stellen. Ik ga niet aan hem vragen welk jaar het is. Als hij denkt wat ik denk, namelijk dat ik gek geworden ben, zou hij wel eens een stokje kunnen steken voor mijn autoritje nu om half zeven ’s ochtends.
“Ok dankje. Ik ga nu.” Ik ga op mijn tenen staan en geef hem een snelle zoen op zijn wang.
“Tot zo, Syl,” zegt hij.
Ik probeer nog een schalks glimlachje uit mijn gezicht te persen en draai me vervolgens om en stap voor de tweede keer de deur uit de koude morgen in.
Lees HIER het volgende deel >>>
Copyright © 2015 Tanja Ortmans
Disclaimer: Elke overeenkomst met bestaande personen -in leven of overleden-, gebeurtenissen, plaatsen of entiteiten berust op louter toeval. Alle personages, gebeurtenissen, plaatsen en entiteiten zijn fictief en verhouden zich op geen enkele manier tot een werkelijkheid van bestaande personen -in leven of overleden-, gebeurtenissen, plaatsen of entiteiten.
Photo credits Photo: Cell phone by Demma (Freeimages.com)