Donkerblauwe houten balken met een crème wit plafond verschijnen door mijn wimpers als ik mijn ogen langzaam open. Ik lig op een gestoffeerde bank. Lekker zacht, net als de wolk van zojuist. Kennelijk leef ik nog. Ik kom steunend op mijn linker elleboog half overeind. Ik kijk dwars door de kleine woonkamer van Wander heen zijn stokoude, krakkemikkige Zaanse keukentje in. De afwas staat te drogen in het metalen rekje. Een koekenpan staat wankel tegen een rij mokken aangeleund. Het zachte ochtendlicht valt naar binnen door het ouderwetse keukenraampje met de roodwit geblokte gordijntjes. Het licht van het gangetje dat van de keuken naar de aanbouw met de badkamer leidt, schijnt flauwtjes over de borden en kopjes heen. Ik neem de beetjes informatie die mijn net ontwakende wereld maar nauwelijks kan bevatten één voor één in me op. Dit is Wanders afwas.
“Afwas hoort aan de mooie, frisse lucht te drogen, dan heeft die lucht ook iets te doen”, placht hij altijd te zeggen.
Wanders afwas staat op Wanders droogrek in Wanders keukentje en ik kijk er wezenloos naar.
 

Dan hoor ik het krakende geluid van een bejaarde planken vloer en als ik opzij kijk naar waar het geluid vandaan komt, zie ik Wanders roodblonde piekhaar de gangdeur door komen. Zijn met sproeten bespikkelde gezicht dat ik al dertien jaar niet meer heb gezien, kijkt me dolblij aan. Hij draagt een verfrommelde deken in zijn armen.
“Hé lieve Syl, raar mens, je bent wakker, jij gek flauwvallend schepsel! Ik heb een warme deken voor je. Die buurman wilde een ambulance bellen, maar ik heb maar gezegd dat je zo wel weer wakker bent.” Zijn bekende hese stem ratelt door, terwijl hij de fleece deken over me heen legt.
“Hoe voel je je nu?” Zijn diepblauwe ogen met wat groene spikkeltjes langs de iris, kijken mij aan.
Er welt een intens diepe snik op vanuit diepe weggestopte krochten nooit geuit verdriet. Tranen beginnen over mijn wangen te stromen en mijn kin trilt. Ik kijk met mijn eveneens blauwe ogen recht in zijn bekende ogen. 
“Wat is er, jezus, lieverd, wat is er, je huilt?” Wander slaat bezorgd de deken nog wat dichter om me heen. Ik haal mijn armen tevoorschijn en werp ze om zijn nek. Alsof ik alle tranen van verdriet van de hele wereld bij elkaar ineens huil, snik ik schokkend in zijn nek.
“Meisje toch”. Wander wrijft troostend over mijn rug. Dode Wander die ik hier nu zo lief, levend en stralend in mijn armen geklemd hou. Ik voel dat Wander zich wilt losmaken, maar ik laat hem niet gaan.
“Ik heb je zo-ho vrese-helijk gemist.” Mijn adem laat mijn stem overslaan. Dan laat ik hem los en pak zijn gezicht. Ik neem elke centimeter van zijn gezicht in me op. Hij kijkt me aan met een mengeling van verbazing en bezorgdheid.
“Wil je alsjeblieft vertellen wat er met je aan de hand is, we hebben elkaar gisteren nog gezien hoor?” Zegt hij op een wat vragende toon.
Wander duwt mijn met deken bedekte been zachtjes opzij en gaat op één bil naast me zitten op de bank. Ik ga wat rechterop zitten.
“O mijn God, Wandertje”, roep ik uit, terwijl een lach mijn betraande gezicht openbreekt. “Ik weet niet waar ik moet beginnen. Ik weet echt niet waar ik moet beginnen. Ik heb een absurde morgen gehad. Dat wil je gewoon echt niet weten.” Ik leg mijn linkerarm om hem heen en trek hem dichter tegen me aan. Lieve levende Wander.

 
Terwijl ik hem zo vast houd en aankijk, schiet mijn gedachtenmolen weer aan als ik me voor de zoveelste keer bedenk dat ik in een onmogelijke situatie ben terecht gekomen. Alle gebeurtenissen kloppen niet. Ze kloppen voor geen meter en toch voelt alles zo echt. De beelden van de gewraakte Valentijnsdag, dertien jaar geleden komen mijn bewustzijn binnen.

 
Het is mijn achtentwintigste verjaardag en er is bij Jeroen en mij thuis in onze Zaanse studentenwoning een gezellig samenzijn gaande. We hebben gefondued met een groep van onze vrienden en we zitten na te tafelen. Onze eikenhouten ronde tafel is uitschuifbaar. Bij de bovenbuurvrouw hebben we extra stoelen geleend. Na wat inschikken, kunnen we met zijn negenen om de tafel heen zitten. Er is een stoel over, want Wander is er nog niet. We wisten dat hij iets later zou komen, omdat hij eerst nog moest werken bij zijn stageplaats. Hij studeert Commerciële Economie en loopt momenteel stage bij een bedrijf ergens in Beverwijk. We hebben hem om zes uur nog gebeld op zijn mobiel en hij vertelde dat het iets zou uitlopen.

“Nou we eten alle stokbrood op en dat krat bier is ook leeg hoor, als jij te laat bent”, lachten we nog gekscherend door die telefoon heen. Het is inmiddels half acht als Jeroen een nieuwe fles Rheinhessen opent. Die mierzoete, Duitse witte wijn dronk ik indertijd met flessen tegelijk leeg. Ik moet er nu echt niet meer aan denken. Af en toe een roseetje of een witte chablis, maar dat is het dan ook.

Ik weet niet waarom ik op de klok kijk als de telefoon gaat. Onze ronde, houten klok aan de wand vertelt me dat het twee minuten over half acht is. Misschien maak ik me onbewust zorgen om Wander. Hij is nooit echt op tijd, maar als hij een uur te laat zou zijn, had hij meestal wel al lang gebeld. Ik loop naar de zwarte telefoon die naast de televisie staat op het grenen tafeltje. We hebben zo’n oude draadloze telefoon met de bekende, lange antenne die je nog moet uitschuiven als je iemand aan de lijn hebt.
“Met Sylvia Lievegoed,” zeg ik als ik de telefoon opneem.
“Sylvia, met Karsten spreek je”, kraakt het aan de andere kant. “Sylvia, ik moet je iets vertellen. Zit je?”
“Karsten wat is er, je klinkt raar?” Vraag ik bezorgd aan het twee jaar jongere broertje van Wander.
“Zit je, Sylvia?”Vraagt Karsten normaals.
“Nee ik zit niet, zeg nou maar wat er is!” zeg ik nu iets harder dan bedoelt. Achter mij zijn de stemmen van mijn vrienden verstomd. Ik voel hun ogen in mijn rug prikken, afwachtend, iets geschrokken door de toon in mijn stem.
“Is Jeroen daar ook?” De door de telefoon wat vervormde stem van Karsten klinkt dwingend.
“Ja, Jeroen is hier ook. En ik zit.” Ik heb inmiddels plaats genomen op onze ribcord bank en kijk naar Jeroen. Hij kijkt terug en hij ziet mijn bezorgde blik, terwijl ik hem wenk dat hij naast me op de bank moet komen zitten.
“Syl, Wander heeft een ongeluk gehad.”
Bam. Stomp in mijn maag. Ik voel mijn bloeddruk dalen, terwijl mijn hart begint te roffelen in mijn borst en mijn ademhaling versneld. Ik zie beelden van Wander op de IC aan allerlei draden. Uit zijn arm, door zijn neus. Machines die bliepen staan om hem heen. Het gedimde licht schijnt spookachtig op zijn witte gezicht met de gesloten ogen. Wander rijdt ook motor.
“Hij heeft een motorongeluk gehad,” zegt de stem in mijn hoofd. “Hij is zwaargewond en ligt in het ziekenhuis. We moeten er heen.” De beelden en gedachten razen in een fractie van een seconde door mijn hoofd.
“Heeft hij een motorongeluk gehad?” Vraag ik dringend.
“Nee, een auto ongeluk”, antwoordt Karsten.
“Ligt hij op de IC, Karsten?” Hijg ik van spanning.
“Syl… Wander is dood.”

 

Lees HIER het volgende deel >>>

Copyright © 2015 Tanja Ortmans 

DisclaimerElke overeenkomst met bestaande personen -in leven of overleden-, gebeurtenissen, plaatsen of entiteiten berust op louter toeval. Alle personages, gebeurtenissen, plaatsen en entiteiten zijn fictief en verhouden zich op geen enkele manier tot een werkelijkheid van bestaande personen -in leven of overleden-, gebeurtenissen, plaatsen of entiteiten.

Phot credits: CC-BY-NC-SA by Seth Sawyer (Flickr)

Ook leuk om te lezen!


Deel deze post met je vrienden:

Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmail

Tanja
Tanja Ortmans (1973) is Metafysicus, Hypnotiseur, Sci-Fi Auteur, Integratief Psychotherapeut, Multidimensional Coach, Designer en moeder van vijf (haar jongste zoon Gaia woont in de hemel). Vanaf haar vroegste jeugd is de ontdekkingstocht naar de multidimensionaliteit van het leven, de reis van de ziel, kwantum fysica en hoger bewustzijn haar grootste passie. Ze woont samen met haar vier kinderen en drie katten, in de buurt van Amsterdam.